C.P. AUBEL HET AUBELBOEK NAAR DE PUTSTEEG IN ARNHEM
- 88 -

Sloppenwijken, de holen der armen

De huizen staan veel te dicht op elkaar, soms tot op anderhalve meter, waardoor nauwelijks daglicht in de woonruimte valt. Een achtertuin is een ondenkbare luxe; de huisjes zijn met de ruggen tegen elkaar aan gebouwd. De grote gezinnen moeten het doen met één, vaak vochtige. Bedstee, een olielamp en als verwarming wordt alles (hout, turf, takkenbossen) gebruikt war maar enigszins wil branden. Een open haard op potkachel is vaak ver te zoeken, zodat de atmosfeer ongezond, rokerig en duister is. Het voedsel van het (arbeiders)gezin bestaat voor het grootste deel uit aardappels, rijst, gort, bonen en brood en af en toe wat groente. Vlees (meestal spek) of vis komt maar uiterst zelden op tafel en kaas is zo goed als onbetaalbaar. Huren variëren van 40 cent tot een gulden per week; voor voeding en kleding is minimaal zo'n 7 tot 8 gulden nodig. Een gezin (een arbeider verdient in die tijd niet veel meer dan 1 gulden) waarvan ook de kinderen werken, komt niet ver boven de 8 gulden uit, als er al voldoende werk is. Vaak moet dan ook een beroep op het Armbestuur worden gedaan. Ziektes als cholera en tyfus zijn enkele keren 'gast' in de arbeidersbuurten: in 1866 komen 428 mensen om door een cholera-epidemie. Velen van hen wonen in de beruchte krottenwijken rond Langstraat, Weerdjesstraat en Oude Kraan."


B.J.M. Bleekman "Volkswoningbouw, Een eeuw volkhuisvesting in Arnhem",
deel 5 van de Arnhemse monumentenreeks, 1998, blz. 15/16

TITELPAGINA
INHOUD
VORIG HOOFDSTUK
VORIGE PAGINA
 
VOLGENDE PAGINA
VOLGEND HOOFDSTUK
BIJLAGEN
HOMEPAGE