|
|
Sloppenwijken, de holen der armenDe huizen staan veel te dicht op elkaar, soms tot op anderhalve meter,
waardoor nauwelijks daglicht in de woonruimte valt. Een achtertuin is een
ondenkbare luxe; de huisjes zijn met de ruggen tegen elkaar aan gebouwd. De
grote gezinnen moeten het doen met één, vaak vochtige. Bedstee, een
olielamp en als verwarming wordt alles (hout, turf, takkenbossen) gebruikt
war maar enigszins wil branden. Een open haard op potkachel is vaak ver te
zoeken, zodat de atmosfeer ongezond, rokerig en duister is. Het voedsel van
het (arbeiders)gezin bestaat voor het grootste deel uit aardappels, rijst,
gort, bonen en brood en af en toe wat groente. Vlees (meestal spek) of vis
komt maar uiterst zelden op tafel en kaas is zo goed als onbetaalbaar. Huren
variëren van 40 cent tot een gulden per week; voor voeding en kleding is
minimaal zo'n 7 tot 8 gulden nodig. Een gezin (een arbeider verdient in die
tijd niet veel meer dan 1 gulden) waarvan ook de kinderen werken, komt niet
ver boven de 8 gulden uit, als er al voldoende werk is. Vaak moet dan ook
een beroep op het Armbestuur worden gedaan. Ziektes als cholera en tyfus
zijn enkele keren 'gast' in de arbeidersbuurten: in 1866 komen 428 mensen om
door een cholera-epidemie. Velen van hen wonen in de beruchte krottenwijken
rond Langstraat, Weerdjesstraat en Oude Kraan."
B.J.M. Bleekman "Volkswoningbouw, Een eeuw volkhuisvesting in
Arnhem",
deel 5
van de Arnhemse monumentenreeks, 1998, blz. 15/16
|
|